|
Gian
Gast
|
 |
« Gepost op: 4 Mei 2006, 14:41:00 » |
|
Tien minuten - langer duurt het niet voordat een gesprek in de provincie Quebec gaat over taal en dus over politiek. Dat Quebec Franstalig is en een 'societé distinct', dat is niet meer omstreden. Anders ligt het met de vraag of Quebec onafhankelijk moet worden of zijn eigen rol moet blijven spelen binnen de Canadese federale staat. In 1995 stemden de Quebecois daar nog over en bijna scheidden ze zich af; het scheelde maar een paar duizend stemmen. En nog is het niet voorbij. Het volgende referendum wordt binnen vier jaar verwacht, en inmiddels blijft de zaak rondzingen. Veel bewoners van de provincie hebben er genoeg van en vertrekken.
De stad Quebec neemt bij dit alles een wat dubbele positie in. Enerzijds bestaat er over de Fransheid van de stad geen twijfel. Quebec is zo Frans als een Franse provinciestad maar kan zijn. Men spreekt Frans, men denkt Frans. Taal is hier niet omstreden. Pas de problème.
Aan de andere kant huist in Quebec het provinciale parlement en dus wordt er op spraakmakend niveau heel wat afgebabbeld over de taalproblemen. Wanneer zal premier Bouchard zijn volgende referendum aankondigen, of is de beweging voor onafhankelijkheid aan het verlopen? Als bezoeker vond ik het een interessanter fenomeen. Er hangt een hele geschiedenis aan vast van immigratie, klasseverschillen, de invloed van de kerk, emancipatie en ambitie. Het geeft Quebec een extra dimensie. Maar ook zonder dat facet is Quebec een uitzonderlijk aardige stad om te bezoeken. Fantastische sfeer, mooie architectuur, uitstekend eten en drinken en een on-Amerikaans dynamisch straatleven.
Poortwachter
Om dat in perspectief te plaatsen moet je terug in de geschiedenis. Het begint al met de plek waar de stad ligt. Hier vernauwt de brede, zoutwater Gulf of St. Lawrence, die Quebec met de Atlantische Oceaan verbindt, zich tot een echte rivier, nog steeds breed maar te overzien. De St. Lawrence vormt de verbinding van het Midden Westen, zowel van Canada als van de Verenigde Staten, met de Atlantische Oceaan en Quebec ligt daar als een soort poortwachter van die ver weg gelegen gebieden.
De eerste bewoners van deze hooggelegen rots in de rivier waren de Iroquois Indianen, maar op zich was de rots geen geweldig interessante plek. Dat kwam later pas. In 1534 landde hier Jacques Cartier als eerste Europese ontdekkingsreiziger. Hij noemde de plek Cap Diamant, naar wat hij hoopte er te vinden. De opbrengst viel tegen en Cartier was al snel weer verdwenen. Pas in 1603 kwam de volgende Fransman, Samuel de Champlain, voor een eerste verkenning, die in 1608 leidde tot de nederzetting Kebec. Champlain noemde zijn stad naar het Algonkian Indiaanse woord voor 'hier vernauwt de rivier zich'. Op de plaats waar nu de Notre Dame des Victoires staat, aan de Place Royal, bouwde hij een houten fort. Een paar jaar later zette hij ook een fort neer op de hoogte, op Cap Diamant, en noemde dat Chateau Saint Louis.
De eerste immigranten uit Europa vestigden zich vooral in het lage gedeelte van de stad - daar vond de handel en het vakwerk plaats. Maar uit strategische overwegingen verhuisden het bestuur van de stad en de vele religieuze instellingen geleidelijk aan naar het hoge gedeelte, de Haute Ville. En daar groeide de enige ommuurde stad van Noord Amerika. Die muren staan er nog steeds en daarbinnen ligt een goed bewaarde zeventiende eeuwse stad, met kleine rechthoekige huizen van grijze natuursteen, met smalle, kronkelige straten vol kinderhoofdjes. Dit is de Haute Ville, die via steile straten en trappen is verbonden met de Basse Ville, op het niveau van de rivier.
Nationalisme
Met Frankrijk als kolonisator bleef de katholieke kerk nooit ver achter, en de pioniers werden op de voet gevolgd door geestelijken en kloosterlingen met de missie om de lokale heidenen te bekeren. Of ze de autochtone bevolking veel te bieden hadden, weet ik niet, maar de macht die de kerk over dit gedeelte van Canada had, is nog overal te zien. Nu is dat, als overal, nogal veranderd in de afgelopen vijfentwintig jaar en volgens sommige analisten is het fervente Francofone nationalisme van de laatste dertig jaar niet meer dan een vervanging van het geloof dat de Québécois verloren. Kan best. Het verschil is dat de 'gelovigen' hun paradijs in het hier en nu kunnen bereiken, al kreeg ik soms het gevoel dat het doel aantrekkelijker was dan de realisatie daarvan. Eigenlijk willen ze het helemaal niet, dacht ik, want dan valt weer hetzelfde vacuüm dat ontstond na het verdampen van de invloed van de kerk.
In de zeventiende eeuw was het doel gewoon nog bekeren, en het waren de zusters Ursuline die zich vrijwel meteen in 'Nieuw Frankrijk' vestigden - 'de Amazones van God in Canada' noemden ze zichzelf. Het klooster in de Rue des Jardins, in de Haute Ville, is de oudste meisjesschool op het Noordamerikaanse continent, gesticht in 1639. Een andere activiteit van de nonnen was het zorgen voor de filles du roi: wezen en boerenmeisjes van huwbare leeftijd die vanuit Frankrijk werden geïmporteerd om de kolonie te bevolken. De meisjes werden ondergebracht in het klooster, waar ze konden worden beoordeeld door lokale vrijgezellen. Die moesten dan wel binnen vijftien dagen een keuze maken - op straffe van een boete. Overigens waren hier dikke meisjes zeer in trek - men dacht dat ze beter bestand waren tegen het klimaat.
Het huidige Monastère dateert van rond 1700. Het stijlvolle en ruim opgezette bouwwerk is nu ingericht als museum (de ingang is aan de Rue Donnacona). Het is één van de musea die u niet mag missen, alleen is het wat onhandig dat de deuren dicht gaan tussen twaalf en half twee. Als u toch met de moederkerk bezig bent, bezoekt u dan ook Le Séminaire uit 1663, een prachtig gebouw dat niet lang geleden helemaal is gerestaureerd.
Verfraaiingsplan
Het gezichtsbepalende gebouw van Quebec is van veel later datum dan de rest van de bovenstad. Château Frontenac, het grote roodstenen gebouw met zijn torentjes en spitsen, en zijn groenkoperen dak, torent inderdaad als een kasteel boven de stad uit, maar dat is het niet, het is een hotel en ook pas een honderd jaar oud. Voordien stond hier het Vieux Chateau, een groot woonhuis dat in 1786 was gebouwd voor de toenmalige gouverneur, maar Frontenac is zozeer onderdeel geworden van het beeld van Quebec dat het niet meer is weg te denken.
Chateau Frontenac was onderdeel van een verfraaiingsplan dat het wat in verval geraakte Quebec rond 1880 doorvoerde. De Canadian Pacific Railway, één van die grote treinmaatschappijen die Canada ontsloten, besloot er een luxe hotel neer te zetten. De architect, Bruce Price, liet zich inspireren door de kasteel-achtige bouwstijl die toen in Quebec populair was. Hij gaf er een eigen draai aan door de bakstenen muren, die met natuursteen waren verfraaid, een contrasterende kleur te geven in het groenkoperen dak. Daarmee kreeg de chateau-stijl een Canadees tintje dat door de spoorwegen door het hele land heen werd gebruikt, en nu onmiddellijk herkenbaar is als 'typisch' Canadese architectuur.
Wij kwamen aan over het water, met de veerpont vanuit Lévis, op de oostoever van de Saint Lawrence, en ik geloof dat er geen betere manier is om de eerste blik te werpen op deze beroemde skyline. Maar ook voor een tweede of derde blik is deze veerpont fantastisch. Neem vanuit Basse Ville de boot en voor een paar quarters heeft u een uniek zicht op de stad - te vergelijken met de Staten Island Ferry als middel om New York echt mooi te zien. Als u de kans heeft is het zinnig om daar een wijds beeld van bovenaf aan toe te voegen, vanaf de top van de Citadelle of van de 31ste verdieping van het Edifice Marie-Guyart, iets ten westen van de Grande Allée. Als hotel kan ik Chateau Frontenac niet beoordelen. Het lijkt in alle aspecten klassiek, qua uitstraling, qua bediening, qua stijl en, niet onbelangrijk, qua prijzen. Duurder kan het niet in Quebec. Misschien is het verstandiger u te beperken tot de beroemde brunch die in Frontenac wordt geserveerd - die 600 kamers, nou ja, dat geloven we wel.
Flaneren op zijn Frans
Van het Chateau naar de Citadelle loopt een houten boardwalk, het Terrasse Dufferin. Ook dit bouwsel was onderdeel van het verfraaiingsplan en evenzeer een gouden greep. De bedoeling was om de stad een uitzicht over de rivier te geven (de Basse Ville werd toen gedomineerd door pakhuizen en havengebouwen) en een punt om de burgers te kunnen laten flaneren en wandelen. Sindsdien is het een centraal punt voor het leven in de stad, met kiosken, straatartiesten: inderdaad, een soort boulevard.
De Citadelle, via de Promenade des Gouverneurs met zijn prachtige uitzichten verbonden met het Terasse Dufferin, dateert van de allereerste jaren dat Quebec door de Fransen werd opgezet. De huidige stervorm van de Citadelle dateert uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Tegenwoordig is het de thuisbasis van het Royal 22nd Regiment, de enige Franssprekende eenheid van het Canadese leger. Van een Francofone activist hoorde ik dat deze eenheid mee had geholpen aan de bevrijding van Nederland, maar, voegde hij er verontwaardigd aan toe, onder engelstalige bevelhebbers en met orders exclusief in het Engels. Zelfs een onschuldig onderwerp als de Canadezen die Holland bevrijden wordt een beladen iets.
Verder op de rand van de kliffen ligt het Parc des Champs de Bataille. Hier leverden Engelsen, Amerikanen en Fransen slag, de meest beroemde was die in 1759 toen de Engelsen uiteindelijk de Fransen versloegen op de Plains of Abraham. Beide opperbevelhebbers legden daarbij het loodje, maar het resultaat was het eind van de Franse aanwezigheid in Canada. In het park, in het Musée du Quebec, ligt een National Battlefields Interpretative Center.
Het Musée de Quebec biedt een overzicht van de kunst van Quebec van de achttiende eeuw tot heden. Het omvat drie aan elkaar gekoppelde paviljoenen: de Great Hall, een centrale structuur met een lichtkoepel, het Gérard-Morisset Pavilion, een neoklassiek bouwwerk dat in 1933 bij de opening werd gebouwd, en het Baillarigé Pavilion, dat dateert van rond 1865. Dit laatste gebouw huisde tot 1967 de gevangenis van Quebec City; nu is het gerestaureerd als onderdeel van het museum, al is een blok van cellen in oude staat gehouden. De provincie Quebec gelooft in het spreiden van haar verzameling, want we zagen al een paar pronkstukken van de collectie, zoals Les Noces d'Or van Jan Paul Lemieux, op het platteland, in een reizende tentoonstelling.
Lokale artiesten en Cirque du Soleil
Als vanzelf komt een wandeling in Quebec - en dit is een wandelstad bij uitstek - uit op het plein voor Chateau Frontenac, La Place D'Armes. De terrasjes, de straatmuzikanten, de koetsjes met paarden en het Frans overal - ze laten er geen twijfel over bestaan waar de wortels liggen van Quebec. Recht tegenover Chateau Frontenac ligt de Rue du Trésor, een straatje waar lokale artiesten hun waren mogen uitstallen. Het is er altijd druk, maar het niveau is gevarieerd. Kitsch en toeristenrommel, en af en toe iets dat echt talent laat zien. Aan de andere kant van het straatje ligt het Quartier Latin, achter Le Séminaire.
Hier begint ook de Rue Saint Jean, de belangrijkste winkelstraat van Quebec, die gedeeltelijk buiten de poorten ligt. Dat stuk is trouwens ook de moeite waard, om door te lopen naar de wijk Saint-Jean Baptiste. Die heeft een alternatieve reputatie, wat betekent dat er hier en daar een punker rondloopt, en wat vegetarische restaurants en boetiekjes met new age spul zijn te vinden. Maar het is een buurt die snel trendy aan het worden is, met mooie gerenoveerde oude huizen die inmiddels onbetaalbaar zijn, terrasjes en restaurants. Vlak bij de kerk van Saint-Jean Baptiste ligt aan de Rue Saint-Jean de prachtige kruidenierszaak A.J. Moisan 'épicerie depuis 1871': een ouderwetse Franse winkel, met verse waar, kaas, vlees, koffie, kortom alles wat in Noord-Amerika niet bij de gemiddelde kruidenier is te vinden.
We hoorden dat Avenue Cartier de wijk is waar de bewoners van Quebec zich terugtrekken als ze geen toeristen willen zien en toch een drankje op een terrasje willen genieten. Le Figaro is er de drukst bezochte tent, Krieghoff de plek waar studenten, artiesten en would-be intellectuelen uithangen. Check it out, het is wel aardig om eens geen toeristen te zien.
De andere poort van de stad, de Porte Saint-Louis komt uit op de Grande Allée, die wel wordt vergeleken met de Champs-Elysées - het zal ons wel aan verbeeldingskracht hebben ontbroken. Grande Allée heeft een bovengemiddeld aantal hotels, restaurants en nachtclubs. De Franse muziek vindt u in de 'boîtes a chansons'. Chansons, Frans of, meer specifiek Frans-quebecois, vormen hier het repertoire. Van de disco's zou volgens betrouwbare bronnen Chez Dagobert de beste zijn (toegang gratis).
Moeraslanden
Vlak bij het Chateau Frontenac gaan de trappen naar beneden, naar de Basse Ville (er gaat ook een lift). In de zeventiende eeuw kwamen de pioniers naar Quebec, vooral handwerkslieden en handelaren in huiden. Ze vestigden zich in het lage gedeelte van de stad. Want daar, op rivierniveau, speelde zich alle commerciële activiteit af. De regering van de provincie Nouvelle France en de vele religieuze instellingen die hier hun stichtelijk werk uitvoerden, verkozen meestal de veiligheid van de bovenstad.
De Basse Ville heeft veel van de oude huizen uit de zeventiende eeuw behouden of goed gerestaureerd. De eenvoudige blokvormige, stenen constructies bepalen het beeld - in 1682 brandden alle houten gebouwen af. De moeraslanden en oevers werden vooral gebruikt voor kades en scheepsbouw. Geleidelijk aan werden ze drooggelegd en bebouwd. Zo kwam Rue Saint-Paul pas in de negentiende eeuw tot stand. Buiten de oude gedeelten liepen we al snel tegen lelijke haven- en industrieterreinen aan.
Wel interessant is natuurlijk de Place Royale, het centrum van het oude gedeelte. Het plein is genoemd naar het borstbeeld van Louis XIV dat er in 1686 werd neergezet. Een aardig detail en tekenend voor de gespannen sfeer die de taalstrijd al decennia oplevert, is het verhaal dat de Franse regering in 1928 een bronzen beeld van Louis XIV aanbood ter onderstreping van de banden tussen Frankrijk en Quebec. De stadsoverheid was zo bang de Engelstaligen voor het hoofd te stoten, dat het pas in 1948 werd geplaatst.
Aan het pleintje ligt ook de charmante Eglise Notre-Dame-des-Victoires. Ook hier vinden we de tekenen van Engels-Franse animositeit. De kerk is genoemd naar twee overwinningen op de Engelsen in 1690 en 1711 en in de fresco's zijn verwijzingen te zien naar de Franse glorietijden. In het hart van de kerk hangt een scheepsmodel, de Brézé, een zeventiende eeuws schip dat Franse troepen naar Quebec bracht.
Rue Saint-Paul is de kunststraat van Quebec. Dat wil zeggen, hier zijn de galerieën en antiekwinkels die echt de moeite waard zijn. Rue Saint-Paul loopt langs de bodem van de klip waarop de bovenstad ligt. In dit gedeelte is de laatste jaren veel gerenoveerd en vernieuwd en ik had de indruk dat hotels hier aantrekkelijker waren dan bijvoorbeeld in de buurt van de Grande Allée waar wij onderdak hadden gevonden. Volgende keer pakken we L'Hotel Dominion aan de Rue Saint-Pierre.
Immigranten
De musea van Quebec zijn van topklasse. We waren op het platteland al geattendeerd op het Musée de Civilisation, omdat veel prachtige objecten daarvan afkomstig bleken, maar het museum was nog interessanter dan we hadden verwacht. Het gebouw alleen al is een bezoek waard. De verzameling is gericht op lokale cultuur en doet dat op een nuttige en aantrekkelijke manier. De permanente tentoonstelling van voorwerpen uit de Quebecse cultuur, Mémoires, geeft een goed idee van het leven in de provincie. Voor de kinderen zijn er workshops in de kelder, gevarieerd genoeg om zelfs de meest vervelende schepsels een tijdje bezig te houden.
We zagen er ook een prachtige multimedia-tentoonstelling over immigranten, Des Immigrants Racontent. Saga's van mensen die ooit met hun hele hebben en houden hierheen kwamen, verhalen over hun aanpassing, motivatie, achtergrond, succes of mislukken. Wat me het meest opviel was dat er geen geur van politiek correctheid en voorzichtig geschuifel omheen hing. Verhalen waren oprecht en eerlijk, en natuurlijk was het doel van de tentoonstelling om bezoekers te laten zien dat al die vreemdelingen een positieve bijdrage leveren aan de provincie, maar nergens werd dat vervelend. Het werd geen Postbus 51 spot.
Ambtenaren en toeristen
Het Centre d'interpretation du Vieux-Port-de-Quebec aan de Rue Saint André is een museum van vier verdiepingen waarin alles wordt verteld over de bloeitijd van de haven. Tot ver in de negentiende eeuw was Quebec het economische centrum van dit gedeelte van Noord Amerika. Die glorietijd kwam aan zijn eind door de opkomst van de spoorwegen, de concurrentie van Montreal en technische veranderingen aan schepen die naar Montreal konden doorvaren.
Tegenwoordig is Quebec een stad van ambtenaren en toeristen. De toeristen kunt u moeilijk ontlopen, maar ook de ambtenaren doen zich gelden. Het parlementsgebouw heeft charme (het is geïnspireerd op het Louvre), maar de betonnen kolossen ernaast, met bureaucraten kenmerkende fantasie Edifice A, B en C geheten, maken onmiddellijk duidelijk dat de overheid hier de scepter zwaait. Doodzonde dat ze hier ooit een stuk van de Grande Allée hebben neergehaald.
Het was overigens wel aan deze economische neergang te danken dat Quebec zijn rol terug kreeg als echt Franse stad. In 1861, na golven immigranten uit Angelsaksische gebieden, maakten de Engelssprekenden nog 51 procent van de bevolking uit, na de economische crisis waren dat juist de mensen die naar het westen vertrokken. Quebec verindustrialiseerde en trok veel laaggeschoolde arbeiders aan van het platteland, waar de grote katholieke gezinnen een ruime voorraad aan arbeiders boden. In geschiedenisboeken heeft men het over de 'wraak van de kribbe' - de katholieken produceerden gewoon veel meer nazaten. Tegenwoordig is niet meer dan vier procent van de stad van origine Engelssprekend.
Toeristenstad
Quebec is geen onontdekt paradijs. Het is in alle opzichten een toeristenstad. Dat betekent dat het er altijd druk is, maar ook dat hotels en restaurants goed zijn. De snuisterijen voor toeristen moet u maar voor lief nemen. Probeer liever eens de winkel die Inuït-kunst verkoopt - niet die dertien-in-een-dozijn rommel die iedere souvenirshop heeft, maar serieuze werken die ons verrasten in hun abstractie en sterke vormen. Daar ergens in het ijs zitten mensen die zonder Rodin ooit gezien te hebben, prachtige beeldhouwwerken produceren met dezelfde kracht. Les Galeries Aux Multiples Collections en Brousseau et Brousseau, een groep van drie kunstwinkels, vonden we met kop en schouders boven de rest uitsteken. Goede toelichtingen, informatie en geen verkoopdwang. Begin bijvoorbeeld op 69 Rue Sainte-Anne, dan volgt de rest vanzelf.
Wat duidelijk Frans is in Quebec is de eetcultuur. Zeker, McDonald's ontbreekt niet, maar er zijn restaurants van onmiskenbaar hoog niveau, zoals Le Saint Amour (perfect), visrestaurant Marie-Clarisse aan de Breakneck Stairs, en de dure en niet helemaal zijn reputatie waarmakende A La Table de Serge Bruyère. Le Saint Amour bevindt zich in de Rue Sainte-Ursule, waar zich trouwens ook veel hotels en bed and breakfasts bevinden. Overal in de stad kunt u met croissants en café au lait ontbijten. Onze favoriet was Chez Temporal op 25 Couillard, in het Quartier Latin.
|